Zo nu en dan laat ik mijn gezicht zien bij de supermarkt in het dorp waar ik zo nu en dan eens per week op een zaterdag het een en ander aan activiteiten verricht; alsin allerhande etenswaren en onetensbare waren op hun waarde laten schatten, dat dan weer bij elkaar op tellen om vervolgens het eindproduct, het reçu, met enig sadisme aan menig in veel te dure en onbijpassende jassen gestoken individuen te overhandigen. Zo nu en dan vervult mij dit met een gevoel dat zo nu en dan synoniem bevonden kan worden aan het gevoel dat een computerchip moet hebben; eindeloze herhaling.
Zo nu en dan staat er voor de deur van dit gebouw een Straatkrantverkoper. Roepen, zoals de verkopers in de grote stad dat doen en met hun nimmer door drugs gebluste enthousiasme doeltreffend een roltrap kunnen blokkeren, doet deze niet. Hij groet iedereen die langskomt, maakt een praatje met iedereen die langskomt. Zo nu en dan verkoopt hij dan ook nog eens een krant, zo tussendoor, voor de sport, lijkt het.
Af en toe groet hij mij ook, en dan praten we even. Zoals vandaag. Hij was er al een poosje niet meer geweest, en vertelde waarom. Zo nu en dan ging hij naar huis, naar Polen, om zijn familie weer eens te zien. Om zijn zoontje van zes weer te zien. Jacob. Deed het goed op school, deed goed zijn best. Begroette hem met een schuchter ‘hallo’ toen hij hem weer voor het eerst zag, sinds twee jaar. Een kind heeft een goede omgeving nodig, een veilig thuis. Een vader en een moeder. Geen veilig thuis zonder inkomen. Geen inkomen zonder kranten. Later, als hij genoeg geld had verdiend, konden ze weer samen leven. Misschien.
Prettig Weekend, zei hij nog, met een vriendelijk gezicht.